RUI66 begon als een grap. Een tekening op een servet, ergens tussen een derde en een vierde glas, waarin we opschreven wat een buurtcafé voor ons zou zijn als we het helemaal opnieuw zouden mogen bedenken.

Niet een concept, niet een merk — een plek waar je zonder reservatie binnenkomt en zonder verhaal weer buitengaat, tenzij je er zelf een meebrengt.
De naam kwam later. Zesenzestig staat op de gevel, in ijzer, sinds ergens in de jaren twintig. We hebben er niets aan willen veranderen. De bar heet naar zijn huisnummer omdat de plek belangrijker is dan wij. Dat vonden we een gezonde volgorde.

De kaart is kort en verandert traag. Vier natuurwijnen, drie bieren van kleine brouwerijen in de haven, één cocktail per seizoen. Het idee was om te stoppen met kiezen — voor onszelf, voor de gast.

“We wilden geen bar bouwen die zich mooier voordoet dan de mensen die er drinken.”
Als je binnenkomt en niet weet wat je wil, kies je wat de barman doet. Dat werkt bijna altijd, en op de zeldzame avonden dat het niet werkt is dat op zich ook een verhaal geworden.


De toog zelf is van hergebruikt marmer, gered uit een oude apotheek in Borgerhout. Er zitten scheuren in, en een vlek waar iemand ooit iodium heeft gemorst. We hebben ze allebei laten zitten.
Meubels met een verleden zijn makkelijker om aan te schuiven dan meubels die nog niks meegemaakt hebben. Ze geven je toestemming om zelf ook niet perfect binnen te komen.

Wat we niet hadden voorzien, is hoe snel de buurt de plek is beginnen bewonen. De woensdagavond werd binnen twee maanden onbespreekbaar druk. We hebben er niets aan willen doen — een plek werkt op haar eigen ritme.


