De Minderbroedersrui is geen straat die haast heeft. Het water is verdwenen onder de kasseien, maar de lijn van de rui zit nog altijd in de gevels — smal, scheef, koppig. Toen we het pand in 2023 voor het eerst binnenstapten stond de zon laag door de achterramen en viel er een streep licht dwars over de trap. Vier verdiepingen omhoog. Vier keer ademen.

We hebben lang getwijfeld of we het huis in één taal moesten schilderen. Uiteindelijk kozen we voor het tegenovergestelde: elke verdieping mocht een eigen temperament krijgen, zolang de trap ze aan elkaar bleef praten.
De begane grond werd aarde — terracotta, gebrande sienna, een tafel die het middelpunt vormt. De eerste verdieping werd water — koel groen, linnen, ochtendlicht dat traag binnenvalt.

De tweede is het meest luidruchtige stuk van het huis. Hier staat de keuken, hier hangt het schilderij dat de menukaart wortelt. De muren dragen een diep cobalt dat 's avonds bijna zwart wordt en 's ochtends terugveert naar zee.

“Een huis vertelt zich niet in één ademtocht — het opent zich per verdieping, per uur, per seizoen.”
De derde verdieping is stiller. Een studeerkamer, een bad met uitzicht op de daken, en het soort licht dat je alleen krijgt wanneer je hoog genoeg zit om de stad te vergeten.


Gasten vragen weleens welke verdieping onze favoriet is. Het eerlijke antwoord verandert per seizoen. In november is het de begane grond, met de kachel aan en soep op het vuur. In juli is het het dak — een smalle strook plat, twee stoelen, een fles wijn uit RUI66.
Wat we het meest onderschat hebben, is de trap. Vier verdiepingen betekent dat je een minuut per keer omhoog loopt, en dat die minuut een soort adempauze wordt. Je passeert een schilderij, een bocht, een raam.

Tegen de tijd dat je boven bent, ben je iemand anders dan onderaan. Dat is misschien het beste wat een huis kan doen: je een klein beetje verplaatsen, zonder je te laten reizen.
